Vlaanderens Bedevaarten Bisdom Brugge

Lourdes: adem voor uw ziel

Verdiepingsmoment over relatiebreuken en verzoening (mei 2014)

“Je verbinding is hersteld”
Vic. Kris Depoortere
Verdiepingsmoment - Lourdes 15 mei 2014 

In 1980 doopte ik Christine. In het trouwboekje noteerde ik: “Christine, dochter van Johan en Marie Sevenhant, parochie Johannes de Doper op 15 juni."Na het doopsel van Sven in 1985, vroeg ik het trouwboekje. De moeder gaf het mij, maar ze fluisterde dat ze niet getrouwd waren voor de kerk.In 1990 was er geen trouwboekje, want de ouders van Kenny woonden samen.2000leek veelbelovend: overtuigde christenen, gehuwd, beiden leraars in het katholiek onderwijs. Ik vroeg de naam van hun kindje. “Luit” antwoordden ze. “Och wat een mooie naam, afkorting van Lutgardis”. “Neen”, zeiden ze ietwat verveeld, “van het muziekinstrument, een luit”, want ze hoopten dat hun kind muzikaal en lyrisch zou zijn.In 2010vroeg de parochieassistente aarzelend: “Welke naam hebben jullie voor je kind gekozen?” De vader zei: “Onze zoon zal geen naam krijgen. Hij moet dat zelf beslissen in plaats van een naam te dragen die hem opgelegd is.” (hommage aanpriester Sylvain Tuyls)

Uit dit voorbeeld blijkt dat er wel iets verschoven is in onze kerk. Alsof u dat niet zou weten. Ook op het vlak van schuld, zonde en verzoening. Om dit juist te situeren, hebben we een stukje Bijbelse mensvisie nodig en dan kom ik tot vier sleutelwoorden: (1) wie is de mens volgens de Bijbel en wat is zonde?, (2) verzoening, (3) boete, (4) vrijspraak. Toch dit, vooraf en middenin en achteraf: Ons credo zegt niet: “Ik geloof in de zonde”, maar “Ik geloof in de vergiffenis van de zonde.”

1.Bijbelse mensvisie en zonde-ervaring: een verbroken netwerk

De Bijbel kent de scheiding tussen lichaam en ziel nauwelijks. Dat is Grieks denkwerk. In de Bijbel is de mens geen tweespalt van ziel en lichaam, maar een netwerk van relaties, een web. Er is een draad naar boven, naar God. Er is een draad naar beneden, naar de natuur, en er is een horizontale draad naar andere mensen. Zo is de mens een weefwerk, net zoals bij paddenstoelen, met zwamdraden onder elkaar verbonden tot een kring (een heksenkring heet dat in het jargon, een ring van paddenstoelen, die uit een moederpaddenstoel geboren zijn).

1.1.De mens als kind van God: de levensdraad omhoog

In het scheppingsverhaal staat God boven de mens. Hij gaat geen symmetrische partnerverhouding aan met de Mens. Hij is Vader, mijn oorsprong, mijn Schepper. Hij blaast mij zijn Adem in en wekt mij tot leven. Dat is een evident gegeven in alle godsdiensten. Uiteindelijk leef ik uit Gods genade. Trekt Hij zijn levensadem terug, dan verdor ik als gras op een heet zinken dak (Psalm 129,2). Dat is een frustrerend gegeven voor de fiere mens. Maar daar begint geloven: die afhankelijkheid aanvaarden. Zeker, als mensen tot leven komen, wordt de navelstreng doorgesneden. De mens wordt autonoom, maar dit blijft “une autonomie reçue” (Xavier Thévenot), een gekregen onafhankelijkheid. Wil ik leven, dan moet ik God op zijn plaats houden als mijn Oorsprong en enkel zo vind ik mijn eigen plaats.

Die ouder-kind-verhouding beleef ik dagdagelijks, in al wat ik doe, in het oude, vluchtige “Godzijdank”, maar heel expliciet in het gebed. Bidden is niet naar de hemel klimmen om God te bereiken. Het is God tijd geven om ons te zeggen dat we niet alleen staan, dat Hij een hand boven ons hoofd is en grond onder onze voeten, dat we niet bang hoeven te zijn. Of metWillem Vermandere: God zegt: “Mien bubbeltje, Ik ben een kleed om joen in te duken” (de Nederlandse vertaling vind je bij Oosterhuis: “een mantel om ons heen geslagen”.) En daarop antwoorden wij in gebed: “Abba, papa, mama, raboeni”.

Die eerste levensdraad slijt als we God niet meer aan het Woord laten in ons leven. ’s Morgens een Onze Vader bij het wakker worden. Een dobbelsteen gebed bij de maaltijd in het gezin: “Wat hebben wij toch chance dat er hier eten is!” en ’s avonds horen: “Schuif je zorgen maar op Mij. Ik houd de wacht. Morgen is het weer aan jullie.”

Die eerste levensdraad slijt als we ons niet meer “kind” laten noemen in kleine gebedsmomenten. De staaldraadjes knappen één voor één als we God zijn minimum niet meer geven. Dat levensminimum is de zondagseucharistie. Eén uur per week weggeven om te horen dat we Gods kinderen zijn. De eucharistie is ons viaticum, voedsel voor de “via” van de week. Zonder dit voedsel wordt onze relatie met God onopgemerktanemisch, bloedarmoedig. We voelen niets als we een zondag schrikkelen, maar na enige tijd deemstert God. We worden onbeseft ouderloos.

1.2.De mens als herder van de dingen: de levensdraad naar beneden

Het scheppingsverhaal vertrouwt de aarde toe aan de mensen om ze te bewerken én te bewaren. Respectvol voor de natuur, staat de mens boven de dingen. Hij is hun herder. Groene Bijbel, maar ook meer dan dat. We moeten de dingen niet boven ons hoofd laten groeien. Als de levensdraad met God verslijt, komen er andere goden in de plaats en we worden er sterk afhankelijk van: geld, macht carrière, wapens, het economische systeem, drugs, drank, pillen. Er ontstaat een zuigkracht die ons machteloos maakt.

Die levensdraad van de mens naar beneden, naar het materiële, verslijt als we geen tijd maken voor ont-hechten. Klassiek heet dit“vasten”. Vasten is symbool voor meester zijn van de dingen: we zien voedsel, we hebben goesting, maar we schrokken niet direct. We bouwen uitstel in. We wachten en op die manier bevestigen we onze vrijheid. En in die wachttijd leren we delen, ook al hebben we zelf honger (als we hier nog weten wat dat is). Als die levensdraad breekt, belanden we in een domein van distels en dorens, die ons overheersen: machteloze mens.

1.3.De mens als metgezel: de horizontale levensdraad

Het scheppingsverhaal verbeeldt een symmetrische verhouding tussen mensen. De tweede mens wordt genomen uit een rib van de eerste mens. Er wordt onbeschermd vlees voor in de plaats gezet. Eva wordt rib voor Adam, bescherming van zijn longen, waar God zijn levensadem in blies. En alle mensen zijn voortaan rib voor elkaar. Als de levensdraad met God breekt, als ik verslaafd ben door de dingen, worden medemensen uitgebuit. Zij worden objecten, middelen, concurrenten, vijanden. De rib ter bescherming wordt verstikking van het hart. Meedogenloosheid. En de geschiedenis begint opnieuw: Wie de mensen raakt, raakt Mij, zegt God volgens Matteüs 25.

Tenzij mensen aalmoezeniers zijn voor elkaar. Het woord “aalmoes” komt uit het Grieks en betekent “barmhartig zijn”, verwant met het Hebreeuwse “baarmoeder”, waar het leven beschermd mag ontwaken en ontwikkelen.

We hebben drie dimensies: gebed, vasten en aalmoezenier zijn. We hebben drie oerzonden: ouderloosheid, machteloosheid en meedogenloosheid. Het zijn drie fundamentele relatiebreuken. Ze monden uit in hopeloosheid.

 

2.Verzoening: de levensdraad wordt weer aangereikt

2.1.Het christelijk verhaal begint – meer dan in welke andere godsdienst ook – met een goddelijk initiatief. Daar staan ze dan, mensen, ouderloos, machteloos en meedogenloos. En wie kan ons verzoenen met ons leven? We kunnen onszelf niet vergeven. Zichzelf vergeven is een onmogelijke opdracht. Het is alsof een python zichzelf opeet door zijn staart op te slokken. We kunnen even proberen te vergeten, dat wel, maar we blijven in een echokamer tot er iemand binnenkomt, soms binnenbreekt. Meestal is dat een “vreemdeling” in Bijbelse taal. Hij of zij zijn Gods gelaat, incognito, in hun liefde, in hun kwetsbaarheid, in hun armoede. Bevrijding, verzoening, vergiffenis moet je krijgen. Iemand die zegt: “En toch – zelfs vooral nu – hou ik van je. Je bent van mij en ik van jou.”In de Bijbel staat dat vooral bij Johannes – hoe kan het anders? - : “In het begin was het Woord”. En dat Begin is niet één keer, maar telkens weer. En dat Woord is een werkwoord van liefde. “Ik heb jou het eerst bemind. Ik ben geen wolf in het bos. Ik weefde je in de moederschoot (ps. 139). Ik hou van je en Ik heb je niet voor de hopeloosheid gemaakt.”

Verzoening is niet de mens die zijn levensdraad weer opraapt, maar God die hem aanreikt. Ik kan me niet verzoenen met God. Mijn Jakobsladder is te klein. God komt naar beneden en verzoent zich met mij. Het gaat dan niet eerst om de vergiffenis van “feiten”, maar over de aanvaarding als een “toch-nog-aanvaardbare mens”.

2.2 Gods werkwoord van liefde is “vlees” geworden. God komt bij het einde van de gebroken levensdraad onze geschiedenis binnen. Dit is Jezus, dé Verbondene met zijn Vader. Bij zijn doopsel klinkt de Stem: “Jij bent mijn Zoon”. Hij is verbonden met natuur: stormen stillen en lelies en vogels. Hij is de Verbondene met de medemens, totterdood. Zijn leven - en vooral de overzijde ervan in de verrijzenis - verbindt ook ons weer met God. Als ranken van een wijnstok. Daklozen-zonder-God krijgen bescherming. Machtelozen staan op. Meedogenlozen worden mild. Hopelozen krijgen Hoop.

 

3.Boete: de aangereikte draden weer aanknopen

Bij testament vraagt Jezus aan zijn leerlingen of ze zijn verzoeningsaanbod willen doorgeven. (Johannes 20,22-23): “Wie jullie vergeven, zijn ook bij God vergeven”. “Doe ook dit tot mijn gedachtenis”. De vraag van Jezus is door de eeuwen heen uitgegroeid tot het sacrament van de boete en de verzoening. Als we de geschiedenis van het sacrament ziften, blijven vier sleutelwoorden over: (1) berouw (2) belijdenis (3) boetewerk en (4) absolutie

3.1.Berouw als proces, de belijdenis in het hart betekent de draad die God aanbiedt weer opnemen

Eerste stap: “Sorry. Ik heb een wet overtreden. Ik ben bang voor een straf (boete betalen, afkeuring door vrienden). Een de eerste reactie is dan vaak: “Ik kon er niets aan doen, ik was slachtoffer. Ik moet er me overheen zetten. En dat lukt vaak niet.” Of al een beetje dieper: “Ik ben beschaamd. Ik had dit anders kunnen doen.”

Met veel respect voor deze foutbeleving en voor dit schuldgevoel, want ze vormen een eerste stap: Dit zijn de tranen van Judas. Hij gooit het geld voor de voeten van de opdrachtgevers en vlucht. Maar de opdrachtgevers reageren niet op zijn tranen. En daar ligt de clou die hem tot wanhoop drijft.Het had ook anders gekund als de Farizeeën het berouw van Judas en zijn primitieve restitutie hadden aanvaard. Dan had hij zijn verraad kunnen omschrijven, het abces lokaliseren en zo hopeloze sepsis, bloedvergiftiging, kunnen vermijden, want die is zijn doodsoorzaak. Had iemand ook maar het onderscheid gemaakt tussen een verkeerde daad en een slechte mens…

Tweede stap: “Ik deed dit tegen jou: Ik deed jou onrecht aan”. Hier is de dader niet enkel bekommerd om zichzelf en om de façade. Het slachtoffer komt in zicht en doorbreekt de egocentrische cirkel. De dader krijgt stilaan begrip voor het feit dat een kleinigheid misschien een centrale zenuw geraakt heeft bij de andere. “Ik beging niet alleen een fout, maar ik heb een relatie geschonden; jij ‘verdiende’ dat niet.” De dader beseft stilaan dat hij/zij vergiffenis zal moeten “vragen”, en die niet kan eisen.

Derde stap: “Ik deed dit dus ook tegen U, mijn God”. Hier komen we op het religieuze niveau, over de psychologie en het menselijke heen. Ik word bewust van de “zonde”-dimensie van de fout. Zonde is relatieschending in serieschakeling - tot bij God. Want “God is niet impassibilis. De Vader is kwetsbaar”, schrijft Origenes (ca 185-253). Zo wordt de foutbeleving wel heel zwaar. Ik heb De Liefde geraakt in het kwetsen van de geringen (Mt 25). Dit zijn de tranen van Petrus (Lc 22, 62) Maar precies die tranen bieden een uitweg. Petrus en Jezus kijken elkaar aan (Lc 22,61). En de blik van Jezus zegt: “En toch ben je nog van Mij na je verloochening. Je deed verkeerd, maar je bent niet slecht.” Als dat kan gebeuren tussen mensen, veranderen de tranen van Judas in die van Petrus.

3.2.Belijdenis: de verwoording van het berouw raapt de draad met anderen weer op

Het vorige gebeuren was een innerlijke rijping. Nu komt de veruitwendiging. Er kan geen enkele twijfel zijn: Er moet contact opgenomen worden met het slachtoffer. Mensen kunnen daarbij bemiddelen. Ook (vooral) pastores. Vroeger bleven ze te veel in de biechtstoel zitten. Pastoor Munte was een uitzondering. Ze kunnen aanwezig zijn bij de ontmoeting tussen de zondaar en het slachtoffer of de bekentenis overmaken. Op de ene of de andere manier moet de dader vergiffenis vragen aan het slachtoffer (en straks de schade zoveel mogelijk herstellen). Dit kan (best) met woorden, maar ook met een gebaar of een symbool. Dit is een risicovol gebaar, een daad van vertrouwen en vooral hopen dat de andere reageert. Als het slachtoffer vergeeft, mag men Gods vergiffenis veronderstellen (Ook dit is zeker een toepassing van “Waar twee of meer in mijn Naam samen zijn.”)

Soms lukt dit echter niet, omdat de benadeelde niet ingaat op de vraag om vergiffenis, of omdat het slachtoffer onbekend is of niet meer leeft…In zo’n situaties komt de rol van een pastor veel uitdrukkelijker naar voren als bemiddelaar.

3.3. Boete: herstel vanuit het hart via de woorden naar de handen

Om netten te boeten gebruiken zeelui boetijzers. Met die naalden knopen ze gebroken draden van hun netten weer aan elkaar (ook in het Engels: to amend – to mend nets).In boeten steekt een dubbele dimensie: een herstelbeleid naar het verleden (restorative justice), dat de oorzaken aanpakt,en een begin van nieuw leven naar de toekomst. De klassieke penitentie “3 Weesgegroeten” pakte de oorzaken niet aan. Er is dan meestal helemaal niets veranderd aan de onderlinge verhouding. En het gaat enkel over de eerste levensdraad, de verhouding met God. Dit is een Mc Donald’s fast food-boete. Maar als ik thuis kom, zit mijn man weer sigaren te roken bij onze kinderen en barst ik weer uit. Dat is voor mij één van de redenen waarom de klassieke biecht verdwenen is. Te snel, te oppervlakkig en enkel religieus. Wie vandaag verzoeningspastoraal wil doen, moet de biechtstoel of het pastoraal centrum uit. “Materieel herstel” volstaat niet. Want daarmee is geen garantie gegeven voor de toekomst.

Veel belangrijker is de vraag: Hoe is dit conflict ontstaan? Met een vluchtige zoen zijn de oorzaken niet weggenomen, zeker niet in diepe, durende conflicten. De boom van de buren, te dicht bij de heg, is omgehakt, maar de wrok blijft. Een bemiddelaar? Matteüs 18 beschrijft op een schitterende wijze hoe zo’n conflictbemiddeling verloopt. “Meerzijdige partijdigheid” is een sleutelwoord in deze materie (Nagy): niet louter buitenstaander of rechter blijven bij conflicten, ook geen voorafgaande parti-pris, maar zich tegelijk inleven in de positie van de verschillende mensen in conflict. Inleving in het slachtoffer, natuurlijk, dat doen we vanzelf. Maar ook in de dader: “Hoe ging hij zo erg in het rood?” Ergens weet de dader dat hij fouten maakte. Hij zit ook met pijn.

Och, waarschijnlijk maak ik me nu de illusies van Handelingen 2, 41-47, de ideale christengemeente in haar jonge jaren, waar iedereen bij iedereen bemiddelde. Zijn we dan allemaal biechtvaders? Ja. In een christelijke gemeenschap is dat zo. Herder zijn van je broer en zus. Technici in relatiebemiddeling zijn zeer nuttig, bv. in huwelijksconflicten. Maar het is vaak een taak die door de buurvrouw opgenomen kan worden… als ze de moed heeft en de toelating krijgt om te bemiddelen. Het is een kwestie van liefde, ook bij therapeuten. En het lukt soms. Levensdraad 2 en 3 zijn hersteld. Als de betrokkenen gelovigen zijn, kan dan een dankgebed, dat de goddelijke absolutie vanzelf insluit.

Het is niet steeds zo. Soms is het aangedane kwaad moeilijk herstelbaar. Er is de droesem van 10 jaar conflict met mijn zus, het geleden leed bij mij en bij haar. De schade is soms onherstelbaar: Ik reed dat kind omver met 1,25 ‰. Wat ik ook probeer, mijn man vergaf me die onenightstand niet en is hertrouwd. Er zijn zelfs situaties waarin de relatie niet hersteld mag worden, soms bij incest en pedo. Een dead-lock. De dodelijke tranen van Judas.Echte verzoening met inbegrip van herstelde relaties kan niet. We moeten een onderscheid maken tussen vergeving en verzoening. Verzoening impliceert herstelde relatie. Vergeving betekent bevrijding, ook als de relatie niet hersteld kan worden.

4.“Absolutie”: los-making van onherstelbaar verleden: God heeft het laatste woord: vergeving

Pas hier, aan het einde van een lang verwerkingsproces, plaats ik de persoonlijke sacramentele vergeving. In onze huidige vormgeving komt de boete (de penitentie) pas na de absolutie. Je kunt dat ook verantwoorden: God is nogmaals de eerste. Maar het was niet zo in de jeugd van de Kerk. Eerst kwam het boetewerk. De mens moet al het mogelijke doen om de drie levensdraden te herstellen. Dan komt de absolutie voor het onherstelbare overschot aan berokkend leed tegenover de natuur, de medemensen en God. Daarvoor moeten we tot op de bodem gaan van de zonde. Tot het besef van “Ik heb ook de Liefde gekwetst” en “ik kan dit nooit helemaal zelf herstellen door boete”. Dat vraagt tijd. Daarom zou ik ook pleiten voor een spreiding van het sacrament van de verzoening, bv. tussen Aswoensdag en Witte Donderdag. Of de lengte van een bedevaart in Lourdes.

Op dit diepste en donkere moment van het volle besef van de zonde komt Manna (Exodus 16). Het onverdiende en onverwachte Brood uit de Hemel. Manna is “niets”, het smelt bij zonlicht, je kunt het niet oppotten. Je krijgt het nu voor nu. Manna is gratuit, “grâce non-chose, grâce non-valeur”, schrijft L.-M. Chauvet. De dader en het slachtoffer werkten aan de toekomst en ze hoopten op toekomst, maar vergeving opent “onverdiende” toekomst. Vergiffenis kan niet geëist/verdiend worden. Er is geen wet van wederkerigheid, geen do ut des.Gods vergiffenis voor het onherstelbare is gratuit.

Er zijn al heel wat spontane absoluties gebeurd in het voorbij proces, maar hier staan we voor een dijk. Hier komt een Gods- en volksvertegenwoordiger naar voren om in beroep te gaan bij God. Een gewijde aalmoezenier. De priester is gewijd om verbindingsmens te zijn tussen God en mensen, in het spoor van Jezus de verbondene. Hier wordt het Woord weer “vlees”. De absolutie steunt op de instellingwoorden van de eucharistie: “Dit is mijn Bloed, vergoten voor jullie tot vergiffenis van de zonden”. Mat 25 treedt in werking: Christus, plaatsvervangend slachtoffer is nu plaatsvervangend “losser” (cf. Job 19,25), losmaker, vrijkoperof advocaat.Onverdiende vergiffenis.La surabondance de la grâce, schrijft Ricœur, de over-overvloed van genade. Er is geen mee te slepen verleden meer, maar enkel open toekomst.

Wordt het kwaad hiermee weggeveegd. Neen, elke vergiffenis blijfteen rouwproces om een onherstelbaar verleden. De lamme bij Marcus (2, 1-12)ligt niet meer op zijn draagberrie, maar hij moet ze wel meenemen. Het verleden gom je niet uit. Maar in de sacramentele absolutie wijzigt God de relatie tussen de zondaar en het kwaad dat hij of zij beging. Dat gebeurt door een nauwere betrekking op Christus: “Je was, je bent en je blijft mijn kind”. De zondaar wordt ge-absolveerd (losmaken van de ballast). Als de zondaar al het menselijk-mogelijke deed om de schade te herstellen, is hij na de absolutie geen “getekende” meer. De berrie bepaalt zijn leven niet meer. Het verleden mag zijn toekomst niet verder verhinderen. In een sacrament gebeurt immers niet “iets”, maar een mens wordt “iemand anders”. Hij of zij krijgt een nieuwe, herstelde en soms verrijkte identiteit. Had Paulus het niet over een “nieuwe mens”? Ja, dit is het. De tekst van de absolutie is niet deprecatief (iets vragen: “Moge God je zonden vergeven”), maar performatief (hij doet iets in Godsnaam: “In de naam van de Vader, de Zoon en de Geest, ontsla ik je van je zonden”. We kunnen zonder reserves weer deelnemen aan de Maaltijd van de Heer, ons allereerste sacrament.

 

Besluit

Gewoon nog een echt gebeurd verhaal om te besluiten en alles samen te vatten.

Karin heeft een verleden: multiple echtscheiding, abortussen en zwaar in de put. Psychiaters zijn ten einde raad. Zomer en winter draagt ze een zonnebril. Haar zicht op de wereld is dus donker en niemand kan in haar ogen kijken. Micheline, de pastoraal werkende in het ziekenhuis, neemt haar “ter harte”, in afspraak met de artsen. Karin vertelt “gaandeweg” alles aan haar “Oma Rozerood” (Eric-Emmanuel Schmitt, Oscar en Oma Rozerood). Het abces is omschreven. “Maar wat heb ik toch veel vernieling aangericht in mijn leven?”. Ze besluiten samen op weg te gaan, 5 kilometer ver van het ziekenhuis naar een bedevaartskerk. De legende zegt dat het 0nze-Lieve-Vrouwebeeldje in die kerk, dat door boze scheepslui in het water werd gegooid, toch bleef drijven. “Zou dat ook voor mij kunnen? Niet helemaal ondergaan?” Ze gaan de weg. Aan het portaal van de bedevaartskerk wacht een priester. Karin, Micheline en de aalmoezenier gaan samen de kerk binnen tot bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Micheline en de pastoor leggen Karin de handen op. Micheline bidt eerst: “Moge God je zonden vergeven”. Als echo spreekt de priester de absolutie uit: “In Godsnaam, ik ontsla je van je zonden” En dan staat Karin op en legt haar zonnebril aan de voeten van Onze-Lieve-Vrouw.

 

Kris Depoortere

Een groot deel van deze tekst verscheen in Oriëntaties voor de parochiepastoraal, februari 2012

Vlaanderens Bedevaarten v.z.w. | Bosdreef 5 | 8820 Torhout | tel 050 74 56 47